is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesproken gedachte en de grondgedachte van het evangelie wezenlijk overeenstemmen. ') Dat wij niet een eigenlijk citaat hebben, volgt reeds uit de uitdrukking „de gerechtigheid uit het geloof zegt" in plaats van „Mozes zegt". Paulus voert de rechtvaardigheid des geloofs sprekende in, met woorden, die aan Mozes ontleend zijn (v. d. Palm).

Israël behoefde zijn Godsopenbaring niet te hebben uit den hemel of van het andere einde der zee: zij was gegeven. In veel hooger zin in het heil des Nieuwen Verbonds.

De apostel voegt aan „zeggen" uitdrukkelijk toe „in uw hart", laat een en andermaal „en ons het late hooien, dat wij het doen" weg, en schrijft in plaats van „gene zijde deizee" „afgrond", hetwelk een gewone tegenstelling is van „hemel" (Job 11:8; Amos 9 : 2; Ps. 107 : 26 e. e.). Mozes wordt als getuige voor het evangelie opgeroepen tegenover degenen, die met een beroep op hem het evangelie \eiwerpen (vgl. Joh. 5 : 45)!

Toïit ïtTTiv zijn woorden van Paulus zeiven; zij hebben den zin van: „dat zou gelijkstaan met enz." Wie zoo spreekt, doet alsof Christus niet uit den hemel is nedergedaald. Calvijn, Glöckler en Godet denken aan de hemelvaart, niet aan de menschwording; echter behoeft Godet's uitvoerige verdediging van dit gevoelen geen opzettelijke wederlegging. Men behoeft niet ten hemel op te klimmen om het heil (de gerechtigheid) te verwerven: het heil (de gerechtigheid) is in Christus uit den hemel op aarde gedaald.

Vs. 7. Evenmin behoeft men daartoe in den afgrond, het doodenrijk, neder te dalen. Dat zou gelijkstaan met Christus uit de dooden opbrengen, met iets te doen, dat niet meer behoefde gedaan te worden, omdat het reeds is geschied. Godet neemt de vraag in den zin van: Wie zal in de onderwereld afdalen om daar het vuur der hel te blusschen en verzoening der zonden teweeg te brengen? Gelijk in het vorige vers de hemelvaart van Christus betwijfeld

1) Vgl. Clemen, Der Gebraueh des alten Testameutea in den neutestamentlichen Schriften, 1895, S. 175.