is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'ia-paij>. staat, volgens de echte lezing, met nadruk voorop. De aanhaling is uit Deut. 32: 21. Gelijk Israël Jehova tot jaloerschheid verwekt heeft door een God, die geen God was, te aanbidden, zoo zal Jehova op Zijn beurt {èyu) Israël tot jaloerschheid verwekken door een volk, dat geen volk was; Jehova zal hen jaloersch maken {nxpx^oïii/), ja hen doen toornen (xxpopyl&iv). „Niet-volk" beteekent zooveel als „niet-mijn-volk".

Israël kon dus weten, dat de Heidenen eenmaal tot het heil zouden worden geroepen. Ja, het was zelfs gewaarschuwd tegen het gevaar, zichzelf van het bezit der genade te berooven. Jesaja had nog iets geheel anders gezegd dan Mozes.

Vs. 20, 21: „En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevonden ') door hen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden aan hen, die naar Mij niet vraagden 2); 21 maar tot Israël zegt hij: Den geheelen dag heb Ik Mijne handen uitgebreid tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk."

Wij hebben hier een aanhaling uit Jes. 65: 1, 2, vrij naar de Sept. De omzetting der twee eerste leden van den zin is opzettelijk: het meest karakteristieke voorop. Tevergeefs ontkent Godet, dat er Jes. 65:1 eigenlijk over afvallige Joden gesproken wordt. Hij meent aan Heidenen te moeten denken, omdat er anders één ongeloovig Israël is, dat zich bekeert (in vs. 1), en één ongeloovig Israël, dat zich niet bekeert (in vs. 2), terwijl "na van vs. 1 volgens hem duidelijk op de Heidenen wijst, in tegenstelling met üs van vs. 2. Maar in het hebr. staan in vs. 1 Niph. tolerativa: Ik was te bevragen, Ik was te vinden. Bovendien wordt "na ook van Israël gezegd; vgl. Gen. 12:2; Deut. 32:28; Joz. 3:17; 4:1; 10:13; 2 Sam. 7:23; Jes. 1:4; Zef. 2 : 9 enz. Dat Paulus aan de Heidenen denkt, is duidelijk, ondanks Hof-

1) BDFG lezen ev ua evpeQyv en eyevo/xtiv.

2) Syn. Yert.: niet vraagden, d. i. mijne godspraken niet raadpleegden.