Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen vleesch opwekken en eenigen uit hen behouden moge. 15 Want als hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doodenT

Het komt mij voor, dat yip te verkiezen is boven Het laatste woordje brengt de opmerking, waarmede het vers begint, met het voorafgaande in verband; y*p wijst meer op het volgende (vs. 13—15). „Wat ik u zeide van de heerlijke gevolgen, die de aanneming der Joden voor u, Heidenen, hebben zal, is zóó waar, dat ik zelfs als apostel der Heidenen voor het heil der Joden werkzaam ben, omdat ik weet, hoeveel daarvan voor u afhangt". Men vat vs. 13, 14 ook wel als een parenthese op, terwijl dan vs. 15 een versterkte herhaling van vs. 12 wordt, zoodat de apostel niets anders zegt, dan dat hij zoo ijverig voor de bekeering der Heidenen werkzaam is om de Joden jaloersch te maken. Maar dit zou hij eerder ondanks, dan krachtens zijn apostelschap voor de Heidenen kunnen zeggen. Bovendien wordt dan het verband van vs. 15 met de vorige verzen los. De nadruk valt niet hierop, dat Paulus, aan de bekeering der Heidenen werkende, ten slotte voor de bekeering der Joden werkzaam is, maar hierop, dat het eigenlijke doel van de bekeering der Joden weder in die der Heidenen ligt.

Baur, Volkmar, Holsten, Mangold, Zahn verklaren de woorden: „u, Heidenen" aldus: „ik richt mij nu tot degenen onder u, die geboren Heidenen zijn", waaruit zij afleiden, dat de Christenen uit de Heidenen in de gemeente te Rome de minderheid vormden. Meyer antwoordt terecht, dat Paulus in dat geval had moeten schrijven: rol; èóveriv iv u<cüv xêyu. Tor? ëSvsaiv is bepaling van &/.Civ. De gemeente te Rome representeert de Heidenen. Met Weizsacker kan men uit dezen tekst dus eerder tot het bestaan van een meerderheid van Christenen uit de Heidenen besluiten. Zou Paulus tot voormalige Joden gesproken hebben van „mijn" vleesch P — EcVev beteekent hier niet „zoo lang als", maar „voor

Sluiten