Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoover" (Matth. 25:40). Er zijn in Paulus twee menschen, de apostel der Heidenen en de Jood. Ook wanneer hij als gewezen Jood voor zijn vleesch werkt, is hij apostel der Heidenen, en heeft hij de heerlijkheid der Heidenen in het oog. Met fiév wordt de qualiteit van Paulus als apostel der Heidenen gereleveerd. Weiss en Luthardt, die pb oZ* lezen, brengen oZv met vs. 11, 12 in verband. Misschien is ovv een glosse; men bracht mh » met het voorafgaande in

verband en begon met è<p' oircv een nieuwen zin.

Waarin bestaat het „verheerlijken der bediening' ? In apologie (Hand. 15:12; 21:19; 1 Kor. 15:9, 10)? Maar deze wekte bij de Joden meer verbittering dan bekeering. Bedoeld is een ijverige werkzaamheid in den dienst der evangelieprediking. Dan werd de bediening verheerlijkt, als er zooveel mogelijk Heidenen tot bekeering werden gebracht.

Vs. 14. Hij wil zoo beproeven of hij soms vgl.

Fil. 3:11) enz. Evenals in vs. 11 wordt de uitdrukking van H. 10: 19 gebruikt. Ongetwijfeld maakt Paulus zich geen illusies; hij verwacht de bekeering van Israël in zijn geheel niet vóór de laatste tijden; maar „eenigen uit hen" zou hij toch kunnen behouden. — Wanneer Israël zal bekeerd zijn, zal de apostel der Heidenen de vrucht van zijn arbeid onder de Heidenen eerst in al hare schoonheid aanschouwen. Nog meer dan als Jood moet hij dus als apostel der Heidenen verlangend naar Israëls bekeering uitzien. Tip verbindt vs. 16 nauw met vs. 13, 14. Baur c. s. vinden hier een captatio benevolentiae, waarmede Paulus zijn prediking onder de Heidenen aan Christenen uit de Joden tracht aan te bevelen. •Affs/3staat tegenover ?rpaVA#<,'; de beteekenis van he woord is daardoor vanzelf aangewezen. De verwerping der Joden is de verzoening der wereld, niet doordat de Joden krachtens hun ongeloof Jezus gedood hebben (Otto), maar doordat tengevolge van hun ongeloof het evangelie tot de Heidenen gekomen is. Wanneer de Joden reeds zulk een zegen verspreid hebben, toen zij vervloekt waren, wat zal de wereld dan van hen genieten, wanneer zij gezegend en door God aangenomen zullen zijn! - Origenes, Chryso-

Sluiten