is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgens Godet niet hun verwerping, maar hun zonde, hun ongeloof. Het is echter de vraag, of wij het woord niet in denzelfden zin als in vs. 11 hebben te verstaan. „Indien gij bij die goedertierenheid blijft'' duidt aan, dat het ootmoedig geloof de voorwaarde is, waarop men niet slechts in den staat der genade komt, maar ook daarin blijft. Zelfverheffing sluit ons buiten. — Verdient de lezing (praes.) de

voorkeur boven lirtnehyi (aor.)? — K«i <ru; evengoed als de Joden. — Gelijk de goedertierenheid, waarin zich de Heidenen verheugen, door hun schuld in gestrengheid kan veranderen, zoo kan de gestrengheid voor de Joden tot goedertierenheid worden, indien zij gelooven.

Vs. 23, 24: „En ook zij, indien zjj bjj hun ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig hen weder in te enten. 24 Want indien gij van den olijfboom, die van nature wild was, afgehouwen, en tegen de natuur op den tammen olijfboom ingeënt zyt, hoeveel te meer zullen zjj, die natuurlijke takken zyn, op hun eigen olijfboom ingeënt worden!"

Ac, aan den anderen kant. — „God is machtig ; er ligt eenige ironie in deze woorden: als Hij u, Heiden, heeft kunnen aannemen, zal Hij het den Jood ook wel kunnen doen. — Ja! Hij zal het nog veel eerder kunnen doen: irótry H»>.xov (Weizsacker: wie viel eher). Niet, dat voor de almacht Gods het eene gemakkelijker is dan het andere; hier is sprake van hetgeen op zichzelf gemakkelijker is. Tusschen het joodsche volk en het koninkrijk Gods bestaat een zekere wezenlijke verwantschap; beide behooren bij elkander. — Het is onnoodig, van o'i een pron. rel. («/) te maken, gelijk Fritzsche en Hofmann willen.

Nu wordt het feit, dat de apostel bedoelt, als de inhoud van een Goddelijke openbaring voorgesteld.