is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanleiding gegeven hebben tot de combinatie van de twee plaatsen. Hierin zal het (nieuwe, vgl. Jer. 31:33) verbond bestaan, dat van Mij uitgaat (trxp iftov), dat Ik hunne zonden zal wegnemen.

De apostel stelt de tweeledige positie, die Israël blijkens het voorafgaande inneemt, in een treffende antithese zijne lezers voor (vs. 28), waarna hij in vs. 29 deze uitspraak met een beroep op een der beginselen van het Godsbestuur rechtvaardigt.

Ys. 28, 29: „Wat het evangelie aangaat zijn zij wel vijanden om uwentwil, maar wat de verkiozing aangaat zijn zg geliefden om der vaderen wil; 29 want onberouwelijk zijn de genadegaven en de roeping Gods."

Israël is zoowel vijand van God als door God geliefd. De woorden „wat het evangelie aangaat" worden nader bepaald door „om uwentwil". Dat God ten aanzien van het evangelie voorloopig met Israël brak, moest het ingaan der Heidenen in het koninkrijk Gods mogelijk maken (zie vs. 11, 15). — 'Exöpó; beteekent natuurlijk niet vijand van Paulus (Theodoretus, Luther), noch van het evangelie (Chrysostoinus), maar van God. Uit de tegenstelling met xyxTtyToi blijkt, dat Paulus over de vijandschap van God jegens Israël, niet over de vijandschap van Israël jegens God spreekt '); vgl. H. 5 : 10. Alle onheilige hartstocht is hier natuurlijk buitengesloten. Maar naast die vijandschap is er in het hart van God liefde, met het oog op de verkiezing, waarmede niet het uitverkoren overblijfsel, maar de verkiezing der vaderen bedoeld wordt (vgl. Ex. 20:6).

Vs. 29. De „genadegaven Gods" zijn in H. 9 : 4 v. opgesomd. De roeping is de roeping tot het heil. Dat de genadegaven en de roeping „van God" zijn, dit alleen reeds maakt ze onherroepelijk.

1) Anders Kühl (a. a. O. S. 40).

33*