is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemoeds, opdat gij moogt onderscheiden, wat de wil van God is, de goede en aangename en volmaakte."

Wanneer Paulus hier de heiliging der ziel als de aanvulling van de toewijding des lichaams in het oog had, gelijk Meyer wil, had dit moeten voorafgaan, en zou hij zeker het woord „ziel" of „geest" gebruikt hebben. NoÜ4 duidt een vermogen der ziel aan, en wel het vermogen der geestelijke waarneming. Het is de norm, waarnaar de geloovige het gebruik van zijn lichaam moet regelen. — Kxl: en daarom. De twee werkw. moeten in den imp. gelezen worden; «e inf. werd veroorzaakt door het streven om de constructie van vs. 1 te laten doorloopen. — De geloovige moet zich niet richten naar het schema (7u<TXwxr%e<r6xi), naai' de manier van de tegenwoordige wereld, naar hetgeen wij zouden noemen den goeden toon, de mode in den ruimeren zin des woords. ') De rabbijnen verstonden onder de tegenwoordige eeuw den toestand, die aan den messiaanschen tijd voorafging; hier bedoelt Paulus het leven van hen, die nog niet door Christus vernieuwd zijn. De Christen moet iets beters voor oogen hebben; hij moet hervormd, gemetamorfoseerd worden. MopQt d. i. in tegenstelling met <rxïf**, hetwelk meer op het uitwendige ziet, een organische vorm, het product van een innerlijk levensbeginsel. De geloovige leert het rechte gebruik van zijn lichaam niet door rond te zien, naar links of naar rechts; de gewenschte verandering kan alleen een nieuw beginsel tot stand brengen. Meyer, Weiss, Hofmann e. a. erkennen het verschil tusschen fax en /AopQt niet. Men beroept zich op Fil. 2:7; ten onrechte: de nopipi, Soukou rust daar op de vleeschwording, terwijl rgfrt* ui xvOpuitoi aanduidt wat daarop volgt. De imp. praes. geven daden te kennen, die onophoudelijk moeten voortduren, op grond van iets dat eens voor goed heeft plaats gehad (aoi. ■KxpxaTYi<jxï). — En wat moet het beginsel zijn bij den nieuwen

4) Vgl. Schlatter, Der Dienst des Christen in der alteren Dograatik, 1897, 75.