is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienst, waartoe het lichaam verplicht is? De vernieuwing van het gemoed, d. i. van het vermogen, waardoor de ziel goed en kwaad onderscheidt. In onzen tegenwoordigen toestand wordt dit vermogen door de zelfzucht verduisterd, tot een voüs rijs trapicói (Kol. 2 : 18) gemaakt; het moet van de macht van het vleesch verlost en onder de macht van den geest gesteld worden, opdat het in staat zij den wil Gods weder recht te onderscheiden, en in elk voorkomend geval te weten wat plicht gebiedt (zie Joh. 5:19, 20). Men vertale niet: „dat de wil Gods goed is" (Osterwald, Segond), of: „hoe goed hij is" (Oltramare), maar „wat de wil van God "is". Die wil is „goed", vrij van alle kwaad in welken vorm ook; „aangenaam", niet voor God, maar voorde menschen, die daarin een eigenaardige bekoring vinden; „volmaakt", omdat hij de vereeniging is van het goede en het schoone. De beteekenis verandert niet veel, wanneer men met Weizsacker b.v. de drie adj. als subst. neemt, appositie van „wil van God" (das Gute, Wohlgefallige und Volkommene), maar in dat geval was het art. wel voor ieder woord herhaald.

II.

Het leven van den geloovige in de christelijke

gemeenschap.

H. 12:3—21.

VIJFENTWINTIGSTE STUK.

H. 12:3—21.

Men stelt zichzelven tot een offer door nederigheid (vs. 3—8) en door liefde (vs. 9—21).

Door nederigheid: vs. 3—8.

Ys. 3: „Want door de genade, mij gegeven, zeg ik aan ieder, die onder u is, dat hg van zichzelven