is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van liet vaCppoveh wordt beheerscht, geven wij aan het eerste woord de voorkeur. — üpflfrwlw: aan het hoofd van iets staan, een zaak besturen. Het wordt in het gewone gneksch gebezigd b.v. van een geneesheer, die toeziet op de behandeling van een zieke. Een patroon (patronus) heet xptrAr*?. Daarom wil b.v. Kurtz (Lehrbuch der Kirehengeschichte, I, S. 43) hier vertalen: „wie een ander als patroon vertegenwoordigt". In Tit. 3 : 8 lezen wij: xaA»» ?pj«» xpitarwriu: goede werken voorstaan. Phoebe wordt Rom. 16:2 genoemd: npotrxt,; iroMÜv faov xuto! om aan te duiden, dat Paulus en anderen zooveel aan haar te danken hadden. Men denke aan allerlei werken der liefde, aan allerlei inrichtingen en vereenigingen, waarvan o irpoitrrfaevoi; het hoofd is, en zal dan tevens verstaan, waarom het staat tusschen het uitdeelen en het oefenen van barmhartigheid, en waarom juist hier op ijver wordt aangedrongen. — 'O èteüv trekt zich de verdrukten en de kranken aan; hij heeft de gave van het medelijden. Zijn verschijning moet zich kenmerken door opgewekte vriendelijkheid.

De apostel had tot dusver vooral de nederigheid in het oog ; de laatste uitdrukkingen wijzen echter reeds op de liefde, die vs 9—21 beschreven zal worden. De geloovige moet eerst zichzelven bezitten (zich binnen de gestelde perken weten te houden), daarna moet hij zichzelven aan anderen geven.

De zelfopoffering door liefde jegens allen: vs. 9 21.

De gaven zijn verschillend, gelijk wij zagen. Toch is er één gave, die aan al de andere gaven ten grondslag ligt en het bezit van alle geloovigen zijn moet: de liefde. De gemeente, die door het geloof in de liefde Gods toeneemt in wasdom en omvang, leeft van de liefde. Alles, wat gelooft, heeft lief. Deze liefde geeft zich in een leven, rijk aan verscheidenheid van werken der liefde. Zij openbaart zich tegenover de sympathieke elementen der omgeving, vs. 9—16, maar ook tegenover de vijandige elementen in en buiten de gemeente, vs. 17—21.