Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vijandschap kunnen afbrengen, kunnen wijzelven toch den vrede liefhebben.

Vs. 19. Echter blijft er altijd in het hart van den mensch een gevoel, dat zegt: Het kwade moet gestraft worden. Zeker. Maar dat moet men aan God, den rechtvaardigen Rechter, overlaten. De apostel weet, hoe moeielijk dat kan zijn; vandaar het intieme „geliefden". Wie den toorn plaats geeft, doet afstand van ieder voornemen om zichzelven te wreken en laat het oordeel Gods zijn vrijen loop; vgl. 1 Petr. 2:23. Blijkbaar onjuist zijn verklaringen als „geeft uwen toorn den tijd om tot kalmte te komen" of „laat den toorn van uwen vijand voorbijgaan". Zie ook Wood, Problems in the New Testament. De aanhaling is ontleend aan Deut. 32: 35, maar gewijzigd naar de Sept. De hebr. tekst heeft: Mij komt de wraak en de vergelding toe; de Sept.: op den dag der bestraffing zal Ik het vergelden; misschien hebben zij een werkw. gelezen, of anders de beteekenis van het subst. vrij omschreven. Paulus neemt het werkw. over; zoo ook de schrijver van den brief aan de Hebreërs (H. 10:30) en Onkelos in zijn parafrase. Wellicht was deze citatie van het vers de gebruikelijke, zoodat men hieruit nog niet mag afleiden, dat de schrijver van den brief aan de Hebreërs afhankelijk was van den brief aan de Romeinen. — Verdragen alleen zou slechts een halve overwinning zijn. De liefde wil niet slechts geen kwaad met kwaad vergelden, zij wil ook het kwade goed maken door het met goed te vergelden.

Vs. 20, 21: „Zoo dan1) uw vijand honger heeft, geef hem te eten; zoo hij dorst heeft, geef hem te drinken; want dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen. 21 Laat u door het kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede."

De lezing „maar zoo" zou beteekenen: Maar, in plaats

1) Text. ree. EL: e«» ouv; NABP min.: gAAa tav; DFfl: exv.

Sluiten