Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de private beleedigingen over tot de officiëele vervolgingen vanwege den heidenschen staat, waartegen pleit, dat de staat niet als vervolger maar als bewaarder der gerechtigheid voorgesteld wordt. Hofmann ziet in het wettig geregelde sociale leven een der verschijningsvormen van het goede, waardoor het kwade moet worden overwonnen (H. 12:21). Schott meent, dat God nu reeds door middel van den staat doet (H. 13:4), wat Hij eenmaal in den dag des oordeels doen zal. Weiss concludeert uit nxvx (vs. 1), dat thans de heiliging van het persoonlijke leven aan de orde komt. Hiervan was echter ook reeds in H. 12 sprake.

Paulus maakt hier den overgang van het eigenlijk gezegde geestelijke tot het burgerlijke leven. Aan de nederigheid van H. 12 : 3—8 beantwoordt de onderworpenheid van H. 13:1—7; aan de liefde van H. 12: 9—21 de beoefening der gerechtigheid van H. 13 : 8—10. Epistola tota methodica est (Calvijn).

Men zoeke de aanleiding tot de volgende vermaning niet in de plaatselijke gesteldheid van de gemeente te Rome. Baur beweert, dat Paulus hier het joodsche vooroordeel wil bestrijden. volgens hetwelk de heidensche overheid niets anders was dan een handlanger van Satan l), waartegen Hofmann terecht opmerkt, dat de apostel dan had kunnen volstaan met het geoorloofde van de onderwerping aan die overheid in het licht te stellen. Ook herinnert Weizsacker (Jahrbücher für deutsche Theologie 1876, S. 18, 19, vgl. ook 262 f.), dat Paulus er dan zijne lezers op had moeten wijzen, hoe het christelijk geloof geenszins de verwachting van een aardsch koninkrijk in zich sloot, gelijk het messiaansch joodsche gezichtspunt medebracht, zoodat de geloovigen ook geen reden konden hebben, den heidenschen staat gehoorzaamheid te weigeren (vgl. 1 Kor. 7:21 v.). Ewald meent, dat de geest van verzet, die zich weldra in Palestina zou openbaren, ook te Rome gevoeld werd. Dat de apostel in

1) In gelijken zin Mangold, De ecclesia primaera pro Caeaaribus ac magistratibus Romanis precea fundente, 1881. Bestreden door Harnack, Theol. Lit.-Zeit. 1881.

Sluiten