is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(b v. de neo-pythagoreïsche) behoord en daaruit zekere meeningen en gewoonten bewaard hadden. Deze opvatting wordt tegenwoordig algemeen verworpen. Enkele duidelijke gegevens, vs. 5, 6 en H. 15:1, 13, wijzen op den joodschen oorsprong der partij. Bovendien zouden zulke menschen zich op hun meerdere heiligheid of meerdere beschaving hebben laten voorstaan, en niet tevreden zijn geweest met de bescheiden

houding van „zwakken".

Origenes en Chrysostomus meenden, dat zij Christenen uit de Joden waren, nog altijd aan de wet van Mozes gehecht. Echter verbood de wet alleen het eten van het vleesch van onreine dieren, en ontzegde het gebruik van wijn alleen aan bepaalde personen en in bepaalde gevallen. Nog iets anders

dan geheele onthouding l)!

Deze overweging, alsmede een vergelijking met 1 Kor. 8—10, hebben Clemens Alexandrinus, Flatt, Neander, Philippi e. a. de onthouding der „zwakken" doen verklaren uit de vrees, onwetend iets te eten of te drinken, dat aan de afgoden gewijd was. Hiertegen moet opgemerkt worden, dat zij dit gevaar op een eenvoudiger wijze hadden kunnen vermijden, dan door zich het genot van vleesch en wijn te ontzeggen. Waarom zou dan de apostel hen niet evengoed als de Korinthiërs de zaak hebben opgehelderd? Waren de zwakken te Korinthe ook van joodschen oorsprong? In de uitdrukking

i(ik weet dat niets in zichzelf onrein is" (vs. 14)

schijnt „in zichzelf" te veronderstellen, dat men vleesch en wijn als zoodanig voor onrein hield.

Baur houdt hen voor Ebionieten, die zich volgens de beschrijving van Epiphanius van alle dierlijk voedsel onthielden. Hij citeert een plaats uit de Homiliën van Clemens, vervaardigd te Rome in de laatste decenniën der 2^ eeuw, waar Petrus verklaart: „ik gebruik alleen brood en olie en een

1) Ook Zahn denkt aan gewezen Joden, die zich onthielden b.v. uit smart 0Ter liet ongeloof van hun volk of met het oog op de aanstaande parousie. Abulfaradscli wees op de Nazireërs, die op het Paaschfeest alleen de groente. waarin het vleesch gekookt was, aten (Theol. Lit.-Zeit., 1889, 307).