Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Echter rijmt dit niet met vs. 3, 10. Wij meenen veeleer, dat 1'aulus eerst beide partijen tot onderlinge verdraagzaamheid opwekt (vs. 1—12) i terwijl hij daarna in het bijzonder zich richt tot de sterken, hen vermanende in den geest der liefde de zwakken te ontzien.

Vs, i 12: Opwekking tot onderlinge verdraagzaamheid.

De eerste drie verzen vormen een soort van inleiding, waarin Paulus het geschilpunt uiteenzet, en een voorloopige oplossing geeft.

Vs. 1—3: „Neemt hem aan, die zwak is in het geloof, niet om geschillen te voeren over meeningen. 2 De eene gelooft alles te mogen eten; maar die zwak is, eet moeskruiden. 3 Wie eet, verachte hem niet, die niet eet, maar1) wie niet eet, oordeele hem niet, die eet; want God heeft hem aangenomen."

Het part. aaéevwv , zwak zijnde, is zachter dan het adj. xtievfc. De zwakken meenden, dat het gebruik van vleesch2) en wijn een nadeeligen invloed op hun geestelijk leven zou uitoefenen — in strijd met Matth. 15 : 11 — en trachtten door onthouding een hoogeren graad van heiligheid dan de andere Christenen te bereiken. De gemeente moet hen aannemen (zie H. 15: 7); zij zullen dus een kleine minderheid hebben uitgemaakt. — De laatste woorden van het vers verklaren Luther en Olshausen aldus: maar niet om twijfel QtxKpirei?) te wekken in de intieme gedachten (Sixloyitrttüv) van den naaste. Echter beteekent hxttpiirii niet „twijfel" en $txhoyi<r(*ó<; niet eenvoudig „gedachte". Dit woord duidt in het N. 1. altijd de werkzaamheid van het verstand in den dienst van

1) Text. ree. met ELF: kou o ^ABCD: o èe {/.y.

2) Sanday and Headlam ontkennen, dat er te Rome een partij bestond, die bet eten van vleeach verwierp. Clemen noemt dit in zijn recensie (Theol. Lit.-Zeit., 1896) terecht „schwer begreitlicli".

Sluiten