is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men schrappe het fr van sommige HSS. voor Ware

Sv echt, dan zou men vóór rrirnv het art. verwachten. Bovendien kwam dan de tegenstelling tusschen dit vers en het volgende niet zoo goed uit. — Oltramare geeft aanl de beteekenis van eene algemeene overtuiging, niet die van christelijk geloof. Er is hier echter van geen ander geloof sprake dan in vs. 1, waar Oltramare zelf aan de christelijke overtuiging denkt. Paulus bedoelt hier een geloof, sterk genoeg om boven allerlei zwakke bedenkingen verheven te ziin. De apostel vraagt van den sterke alleen het offer van ziin vrijheid, niet dat van zijn overtuiging. Zijn overtuiging kan hij ongeschonden bewaren in zijn hart en voor zijn God; telkens er mede voor den dag te komen, is niet noodig De nadruk valt op kxt* <re»uriv. Hij mag zich zelfs me zijn overtuiging gelukkig achten. - Kphm is hier gelijk elders oordeolen", niet „veroordeelen"; dit zou in tegenspraak zijn met ïok^v. Gelukkig hij, die zonder eenige aarzeling op

den ingeslagen weg kan voortgaan!

Vs 23 Ongelukkig echter de mensch, die met zichzelven in strijd is, die tusschen „ja" en „neen" wankelt. Hij is veroordeeld; vgl. Weiss. Heuss en Oltramare willen ook nu weder vertalen „overtuiging" in plaats van „geloof •, zie echter hierboven. Alwat men niet als verloste, krachtens zijn geloof, doen kan, moet men niet doen, omdat het zonde is en het werk Gods in ons zou verstoren.

Augustinus maakte hieruit de gevolgtrekking, dat de goede werken der Heidenen, als geen vruchten van het christelijk geloof, blinkende zonden waren. Zie echter H. 2 : 14,1 . Ook is de gevolgtrekking niet juist, omdat de regel alleen geldt voor den Christen. De niet-Christen heeft zijne daden te richten naar de zedewet, die van Mozes of van het geweten, vgl. H. 2:12. Van hem zal niet meer gevraagd worden dan hem gegeven is.

Over H. 16:25—27 aan het slol van H. 14. Een vrij groot aantal getuigen plaatsen hier, aan het einde van vs 23, de doxologie, die in den gewonen tekst H. 16 : 25—27 staat.