Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stonden de verzen oorspronkelijk hier, vanwaar zij later naar het einde verhuisd zijn, of zijn zij van het slot hierheen verplaatst? Of hebben wij aan een interpolatie te denken, die nu eens hier, en dan weer daar onder dak werd gebracht? Of heeft de apostel zelf de verzen hier geschreven en ze later herhaald ? Maar voor zulk een herhaling zou geen reden bestaan; zij zou zonder voorbeeld zijn. Over den apostolischen oorsprong van het stuk handelen wij later.

De kwestie staat in nauw verband met de echtheid van H. 15, 16 !). Heeft de apostel deze doxologie geplaatst aan het slot van H. 14 en daarmede zijn brief willen eindigen, dan is al het volgende vermoedelijk onecht. Wèl meent Reuss, dat daaruit niets voor de onechtheid van H. 15, 16 zou volgen, aangezien de apostel een soort postscriptum kan hebben gemaakt, maar dit is niet aannemelijk. Veeleer zou men dan ter wille van de echtheid kunnen gissen, dat deze twee hoofdstukken oorspronkelijk tot een ander geschrift van den apostel behoord hebben, en vandaar naar hier zijn overgebracht.

Laten wij de hypothesen over het vraagstuk een voor een beschrijven en beoordeelen.

le Hofmann voegt de verzen hier in en maakt ze tot den overgang van H. 14 tot H. 15. Zij staan volgens hem in nauw verband met de voorafgaande redeneering, terwijl t 3uvxfiévc-i (H. 16 : 25) afhangt van l<pei\o/*ev (H. 15:1). De doxologie wordt dan een verbazende tusschenzin. Ai na Itpeihopiv wijst duidelijk aan, dat hier een nieuwe zin begint.

2e Baur, Volkmar, Lucht, die eveneens de doxologie hier plaatsen, houden ze voor een interpolatie. Het oorspronkelijke slot (na H. 14: 23) zal volgens Lucht door de ouderlingen te Rome zijn achtergehouden, omdat het te kras voor de zwakken was. Later vond men het terug in het archief,

1) Zahn, wiens uitvoerige bespreking van deze vraagstukken (Einl. S. 268— 276, 279—298) hoogst interessant is, plaatst de doxologie aan het einde van H. 14, terwijl hij tegelijk de echtheid van H. 15, 16 handhaaft. Zijn beschouwing is te meer onze overweging waardig, omdat Godet de verplaatsing der doxologie van H. 16 naar H. 14 niet geheel voldoende verklaart.

Sluiten