is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 13: „De God nu der hope vervulle u met alle blijdschap en vrede in het gelooven, opdat gij in de hoop overvloedig moogt zijn door de kracht des Heiligen Geestes!"

Vs. 13* sluit zich aan bij de laatste woorden van vs. 12. De Joden-Christenen hadden natuurlijk ook deel aan deze hoop, maar het verband tusschen vs. 12 en vs. 13 zou toch wel anders geweest zijn, wanneer zij de meerderheid hadden uitgemaakt. — Hoe meer blijdschap en vrede de geloovige bezit krachtens zijn geloof (letterlijk: in het gelooven), des te overvloediger wordt hij in de hoop. Evenals H. 14:7 herinnert Paulus hier aan de kracht, die dit alles moest bewerken, den H. Geest.

Wij zijn hiermede aan het einde der verhandeling, die het hoofddeel van den brief uitmaakt, en gaan nu over tot het slot.

De bezwaren, welke Baur tegen de echtheid van het eerste gedeelte van dit hoofdstuk heeft ingebracht, zijn ongegrond. Nooit heeft Paulus de verzoenende houding jegens het Jodendom, die Baur met zijn karakter onvereenigbaar acht, in zijn leven en werken verloochend. Juist omdat hij de noodzakelijkheid van een goede verstandhouding met de Twaalven besefte, keerde hij na elke zendingsreis naar Jeruzalem terug; zooals hij zelf zegt Gal. 2:2, „opdat hij niet tevergeefs zou geloopen hebben" d. i. opdat zijn arbeid niet vruchteloos zou zijn. Daarom hield hij een collecte in de heiden-christelijke gemeenten voor de Joden-Christenen in Palestina; daarom werd hij den zwakken een zwakke (1 Kor. 9 : 21, 22) — hetzelfde beginsel, hetwelk hij in dit stuk den sterken aanbeveelt.

Volgens Schultz moet H. 12:1-15:6 wegvallen en H. 15:7 onmiddellijk volgen op H. 11:36. De vermaning om elkander aan te nemen zou zich aansluiten aan de verklaring, dat God zoowel aan Heidenen als aan Joden barmhartigheid bewijst (H. 11 : 32). Hiertegen moet opgemerkt worden, dat H. 11 ten doel heeft, de leidingen Gods ten