Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die*) diakones is van de gemeente te Kenchreën, 2 opdat gy haar ontvangt in den Heer op eene wijze, den heiligen waardig, en haar steunt in welke zaak zij u ook moge noodig hebben; want ook zij is de steun van velen geweest, ook van mijzelven 2)."

Volgens velen begint hier een particulier schrijven, hetwelk Paulus den overbrengers (Semler) of de overbrengster (Eichhoru) van den brief zal medegegeven hebben, om hen (haar) te herinneren, aan welke personen zij onderweg de groete moesten (moest) doen. D. Schultz, Reuss, Ewald, Laurent, Renan, Weiss e. a. meenen op grond van de plaats van vertrek (Kenchreën) of van sommige namen in de lijst, dat dit hoofdstuk een brief aan de gemeente te Efeze is. Volgens Scholten, Volkmar, H. Schultz behooren vs. 3—16 niet in den brief aan de Romeinen, wél vs. 1, 2. „Zoolang de meening kan worden gehandhaafd, dat het gansche 16^ hoofdstuk voor de gemeente te Rome bestemd is, verdient zij boven elke andere de voorkeur" (Schultz). Hoe kan een bladzijde, voor de gemeente te Efeze of een andere gemeente bestemd, in den brief aan de Romeinen komen? 3) Deze vraag is inderdaad niet bevredigend te beantwoorden. De eenige veronderstelling is, dat Phebe haar reis van Korinthe naar Efeze en van hier naar Rome genomen heeft en het blad in afschrift naar Rome heeft medegebracht.

Phebe wordt gewoonlijk voor de overbrengster van den brief gehouden. Terecht. Het verklaart het best hare bijzondere aanbeveling. Vgl. Kol. 4:7; Ef. 6:21. Zij heet „diakones . Men heeft gezegd, dat er toen nog geen diakonessen waren. Waarom niet? Er waren wel diakenen (H. 12:7; Hand. 6:1 v.; Fil. 1: 1). Waarom kunnen er dan geen zusters

1) B C hebben kxi vóór Sixhovov.

2) D E F G: xxi epov kxi iu plaats vau: ttoAAojv kxi epou xvtov.

3) Volgens Zalm (Einl. S. 276) raag meu liet voor bewezen houden, dat Bom. 16 :1—16 voor Rome bestemd was.

Sluiten