is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadruk voorop te zetten. Liever brenge men deze woorden in verband met de verzwegen gedachte, die het geheele vorige vers beheerscht: ik geef u over aan God. Het vertrouwen, waarmede Paulus zijn gemeente aan God overgeeft, berust op Christus; door Christus vertrouwt hij haar Gode toe. — Het pron. rel. « kan op Christus slaan. Men behoeft dan echter de gedachte aan God niet absoluut uit te sluiten. In H. 1 : 7 zijn „God" en „Jezus Christus" van hetzelfde M afhankelijk; hier kunnen zij in hetzelfde pron. zijn begrepen. Gewoonlijk denkt men alleen aan God. — Bij S#* (zonder art.) behoort te worden gedacht hm of «V, bij >5 kan men ook hr/ onderstellen. De heerlijkheid is voor altijd het eigendom van Christus (van God), omdat Christus (God) in het werk des heils de eerste en de laatste is.

Kritische opmerkingen naar aanleiding van H. 16:25—27 en van H. 15, 16. Heringa (Opera Exegetica et Hermeneutica, ed. H. E. Vinke, p. 206) meent, dat vs. 25—27 beter achter II. 14 past: H. 14 handelt vsp) xtöivuv, deze moeten „veisterkt" worden; hierbij sluit zich dan II. 15 : 1 aan Scholten (Theol. Tijdschr. 1876), die de doxologie aan het einde van H. 14 plaatst, laat deze verzen ontstaan uit het streven om Paulus tegen de beschuldiging van gnosticisme te verdedigen. Baljon is met Weisse van oordeel, dat Rom. 16 oorspronkelijk met vs. 23 eindigde, en dat vs. 25—27 er later aan toegevoegd zijn. „Niet onwaarschijnlijk is", zegt hij bl. 40 van zijn Akad. proefschrift „De tekst der Brieven van Paulus aan de Rom., Kor. en Gal. als voorwerp van Conjecturaalkritiek beschouwd" 1884, „dat de brief aan de Romeinen oorspronkelijk eindigde met hoofdstuk 14. Eene doxologie, waarvan wij den verbasterden vorm in Rom. 16: 25—27 terugvinden, besloot het geheel." Volgens Reiche, Lucht, Holtzmann (Kritik der Epheser- und Kolosser Briefe, 1872), Mangold, Hilgenfeld, Clemen zijn de verzen onecht. Renan houdt ze voor het paulinisch slot van een exemplaar, voor eene onbekende gemeente bestemd; welk slot op H. 14 volgde. Reuss ziet er het echte slot van onzen brief in.