Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bezwaren tegen de echtheid van vs. 25—27 worden vooral ontleend aan: le het weglaten dezer verzen door Marcion en in twee HSS., in verband met hun plaats aan het slot van H. 14 in andere HSS.; 2e het ontbreken van dergelijke woorden aan het einde der andere brieven van Paulus; 3" de emfase van den stijl en de opeenhooping der uitdrukkingen, hetgeen met do gewone soberheid van den apostel in strijl is; 4e eenige uitdrukkingen, bij de gnostieken der tweede eeuw gebruikelijk; 5e het gemis van een bijzondere aanleiding en van een bepaald doel.

le Dat Marcion deze verzen wegliet, behoeft ons niet te bevreemden. Hij heeft bij de profetische schriften aan de schriften van de profeten des O. V. gedacht, terwijl hij, zooals wij weten, het verband tusschen de nieuwe en de oude openbaring ontkende. — Zie verder onze opmerkingen aan het einde van H. 14.

2e Het ongewone slot is verklaarbaar uit het ongewone karakter van den brief. Vgl. ook het slot van ieder deel van den brief.

3e Een opeenstapeling van uitdrukkingen vinden wij ook in H. 1:4,5, vgl. ook H. 5: 15—17. Trouwens bij de exegese is de beteekenis van elke uitdrukking, naar wij meenen, voldoende verklaard.

4e Volgens Lucht heeft xpivot? x'iuviois betrekking op de gnostische aeonen, acaiymjiévou op de gnostische ciyv enz. Men lette echter niet uitsluitend op de overeenkomst, maar ook op het verschil en zoeke liever analogie in 1 Kor. 2: 6—7.

5e Een lofverheffing van God aan het einde behoeft geen bijzondere aanleiding te hebben.

Volgens Reiche heeft een voorlezer (anagnost) de doxologie vervaardigd met behulp van Judas 24, 25 en Hebr. 13:21. Maar wanneer men bij Judas het daar onechte o-o<pü weglaat, en het op zichzelf niets bewijzende ra duvctfièv? (Hand. 10 : 32; Ef. 3:21) buiten rekening laat, blijft er niets over, hetwelk de onderstelling van eenige afhankelijkheid tusschen Rom. 16:25—27 en Jud. 24, 25 wettigt. De liturgische formule in Hebr. 13:21 is zeer gebruikelijk. Een compilator, zóó

Sluiten