Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen heen, om aan haar kar te komen, waar ze boter kocht, een brok vet, een half pond spek, vijf eieren — en voort ging het nu naar haar kruidenier voor de goedkoope koffie, om de suiker, een half onsje stijfsel, want in haar buurt was alles zoo duur!

Van den kruidenier waren ze nu op de markt terug, liepen overal rond te snuffelen.

„Moe ?"

„Wat is er kind ?"

„Waarom keek vê. zoo zuur ?"

„Weet ik 'et kind ... heb ik niet eens gezien."

„Nou, maar ikke wel!"

„Zoo 1"

De vrouw betastte wat spruitjes, voelde of zeniet te waterig waren.

Het kind begon weer:

„Heb u dat heelemaal niet opgelet ?"

„Wat ?"

„Dat va, zoo leelijk keek ?"

„Welnee, kind ! . . . zeker wat op zijn werk gehad. Dat gebeurt wel meer."

Sluiten