is toegevoegd aan uw favorieten.

Machteloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zwarte eenzaamheid om haar heen.

Wat moest er van Anne worden ? peinsde ze. Vroeger had je nog wel mevrouwen die de meiden in de kleeren staken, en voorschot gaven. Maar kom daar nu eensom? Zonder werk, zonder werrek ! .. . Zoo ging het een geheel jaar door! Als het even goed liep, was het al weer gedaan, je kon nooit op den dag van morgen bouwen, ach, gottegot! Ze peinsde, peinsde. Alles, alles zwart!

Toen haar man thuis kwam, was ze al te bed, deed of ze sliep, maar ze lag klaarwakker. Hij stommelde wat rond, kwam er ook in — en beiden met den rug naar elkaar toe, peinsden in groote nijdigheid,, nog meer van elkaar vervreemdend, de nijdigheid van onmacht, de zwarte onmacht over iets wat maar moeielijk te veranderen viel.

Hij kwam telkens zonder werk. Dat lag aan 't vak, maar ook gedeeltelijk aan hem ; de anderen bleven langer aan den slag. Hij was de wrakste, werd het eerst eruit geschoven, omdat, k\ sjouwde hij even hard als de anderen, hij 't minder flink deed,