Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In nauwe straten kwam die donkerte langs de huizen glijden, waarin valschelijk het licht ging op-glemeren, geel en rood, zwakkelijk licht tegen den grijzen dagschemer nog in 't midden van de straat. Het druktegejaag in dat halfdonker joeg hem nog feller over den weg, verwarde, verdoofde hem De winkels met de vele dingen trokken wel zijn aandacht, maar de rukken en stooten der voorbijgaanders maakten hem weer klein en benepen.

Er kwam angst en verwardheid in hem. Hij werd naar alle kanten geduwd.

Nu was hij lang genoeg weg geweest, meende hij, zou dus maar terug gaan. En verwonderd keek hij op dat hij z'n weg nog zoo gauw weer kon vinden.

Aan den wagen, zoo eenzaam op dat leege spoorterrein, schoffelde, treuzelde hij wat, ging op het houten trapje staan om zijn komst aan te duiden, maar kwam nog niet dadelijk binnen.

In een donkere schaduw tegen het grijs van de lucht, de lucht die aldoor scheen te zakken, schimde voor hem zelf op zijn

Sluiten