is toegevoegd aan uw favorieten.

Machteloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gave, gladde buiken der geduldigstaande, zware paarden, mismaakte duivelen, wroetend op bokspooten, met lange klauwarmen, en bij de sissende damp en den vuurflakker der smidse, die onafgebroken de roode gloed opspuwde, de eene man eraf, de ander eraan, aldoor vuurspookte, leek al dat slaan, kloppen, raspen, vijlen, eelt-branden, met het kort-schonkig zwaaien der armen erdoor, een klaar en ruig brok hel van werkelijkheid.

Roelf zette weer de emmer aan zijn lippen, liet het water maar doorklokken.

„Die rooie zuipt de heele gracht leeg", riep een maat die neven hem werkte en 'n poot van zijn paard omhoog heesch.

„Jajonge,het mot wel.Morgen geld-jesdag!"

„Nou werk je anders maar niet kapot, schreeuwde Jaap, die nu aan 't vuur stond... Je mot nog lang genog mêe!"

Roelf brabbelde nog eens: het mot, veegde met een enkelen handsliert het blanke zweet van 't rooie hoofd — en het ijzer, wat nog heet was, met de bout tegen den hoef drukkend, zelf wat uitgerust bij 't vuur, dreef hij nu met spierigen slag de eerste