Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortschuivend in groote, breede passen, heel het lichaam met zuig-bewegingen als van moeielijk-gaande lokomotieven — en onder dit voortschokken zagen hun oogen niets anders dan die heen- en terugrijdende trams, zoo vol, zoo vol, wat in hen vasthield het besef van veel werken, veel hoeven beslaan, dus morgen flink aanpakken, èn waar bovenuit het verlangen angstte die groote laan maar spoedig uit te komen, onbestemd beklemd van gezien te worden, wat ze nu liever niet wilden. Ze behoefden daarvoor wel niet zoo benauwd te zijn, door 't vele werk, maar de klem zat er toch in, dreef hen voort.

Roelf liep, sjokte, met den jongen achteraan.

Terwijl zijn maats al op weggingen, stond hij nog aan de toonbank, het restje uit zijn glas te tippen. Hij treuzelde toen nog wat, wilde het zweetend hoofd nog eerst eens af koelen, moest juist hoesten — zich daarop weer inspannen, harder aanloopen om de anderen bij te komen. Dat verhitte hem bovenmate.

Sluiten