is toegevoegd aan uw favorieten.

Machteloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al oververmoeid van het koppig doorploeteren, opnieuw aan 't zweeten door het jachten en 't hoofd gloeiend-heet van den borrel, die hem het bloed naar de slapen dreef, hijgde hij, bijna buiten adem geraakt, toen hij ze achterop kwam, ze zoowat inhaalde, en zich aansloot in den gezwinden, stevigen gang. Nu eerst voelde hij zijn moeheid. Al zijn ledematen deden hem pijn. Loodzwaar hingen zijn armen als lamme vlerken uit het gewricht — en met zijn beenen loom, zijn voeten pof, zijn knieën stroef en pijnlijk, kon hij haast niet meê.

„Verdikke," mompelde hij, „verdikke, ik heb het erg te pakke!" Maar hij wilde nu eenmaal niet voor de anderen onderdoen. Ze hadden wel op hem gewacht, en daarom moest hij mee, dwong hij ook zijn moeë voeten tot denzelfden stevigen gang.

De jongen leniger, liep naast hem in kleine opstrubbelende pasjes, zijn beenen niet lang genoeg voor de groote schreden, hield hem zoo bij.

Maar soms werd het hun toch te benauwd. Ze liepen in het achteruit gejaagd, wolkend stof van de anderen, die in hun