Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De weg, met zijn drie nevenlanen, lag breed, haast onbetreden, nog wel stoffig en zandig van gisteren, maar niet zoo muf en duf, mooi-vlak en ruim onder den aldoor zacht aanstrijkenden morgen-adem.

Er reden geen trams, geen wagens — en in de leege zij-allee glommen de stalen rails als eindelooze geleidingen, wit dat in 't blauw-wit der weg-horizon verliep.

Boven tjinkten, tjierpten de vogels, die sprongen en fladderden van tak tot tak, en opnieuw tjinkelden. Een enkele nachtegaal sloeg luid boven ze uit zijn ratelend helder lied. De zon met zijn nog jonge spichte stralen joeg van terzijde een helderder licht onder de hooge boomen en in dat licht stonden de stammen zoo stemmig, zoo goedmoedig, alsof ze daar altijd, door alle eeuwen heen, hadden gestaan en daar wel altijd zouden blijven. Het groen, de bladeren, konden wisselen, maar de stammen die bleven ! Alleen de noordwester, als die in den winter sterk blies, vermocht ze te ontwortelen. Maar dat was ze nu niet aan te zien, zoo stevig stonden ze met hun wortels diep en wijd-uit in den grond, te zamen

Sluiten