Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu gerustgesteld groeide die kalmte ineens vreemd aan tot een teleurstelling.

In het nijpend oogenblik van bijna zekere angst-verwezenlijking om van aangezicht tot aangezicht tegenover Roelf te staan, was plots in haar opgeschoten een bravoer, 't verlangen om eens met hem te ruzieën, het hem eens geducht te zeggen, waarop het stond. Want ondanks alles, was 'thaar uit de hand gevallen, dat ze alleen uit moest Het stak haar, dat ze als kwaje meid op hem had zitten wachten, al wist ze heel goed dat de schuld bij haar zelf lag.

Toen ze nu vlak bij huis hem niet zag, voelde ze in plaats van dat opgejaagde bravoer-verlangen een kleine nijdigheid, de kregelheid van niet tegen hem te kunnen uitpakken, zich niet te kunnen schoonwasschen, waarmede ze haar leelijk-doen wilde verbloemen.

Ze schelde zenuwachtig aan, trapte van ongeduld, omdat haar kameraad de deur niet spoedig-genoeg opende, opnieuw bevreesd dat hij op 't laatst oogenblik nog mocht komen, haar moed nu weer gezakt.

Maar de deur kierde open — en ze glipte snel binnen. Gelukkig!

Sluiten