Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Genavend ... is me dat schellen!" verontwaardigde haar kameraad.

Ze genavende terug, gaf geen verder antwoord, liep dadelijk door, achter de anderen aan, naar de keuken. Ze voelde de angstverhitting nog op haar wangen, een heetheid, die als damp van haar hoofd sloeg. Ze was nu toch maar blij, dat hij daar niet stond om ruzie te maken; ze hield niet van standjes en herrie, niet van die kaskenade. En de opwinding maakte haar nog warmer.

In het stijve, korte manteltje zat ze geprest, kon de armen bijna niet bewegen, niet boven h'r hoofd krijgen om de hoedepennen te pakken. Maar nu was eindelijk dat zware ding, die groote hoed af, en ook de mantel uit. Hè, dat verluchtte !"

Jet de keukenmeid zat alweer op haar stoel, de handen in de schoot, naar haar te kijken.

„Zeker veel plezier gehad," vroeg ze, „nou, dat kan je wel zien."

,,'t Gaat nog al . . . ."

„Je ziet zoo rood als een biet . . . . heelemaal opgeblazen .... nou je hoef niet te vragen ...

Sluiten