Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen de rosse haren, bijna doorzichtig, hem zoo goed stond, hem iets vreemds en ijls gaf.

Ze nam dat hoofd tusschen de twee oude handen, kuste het, zei geroerd : mijn jonge! Er viel bijna een traan uit haar dorre ooghoeken van aandoening, en ervan ondersteboven moest ze zich omkeeren. Ze nam nu maar gauw-handig de borden meê, bracht die weg in 't keukentje, waar ze de traan gemakkelijk kon wegpinken.

„Zou je vanavond niet vroeg naar bed gaan ?" vroeg ze zoo onverschillig mogelijk.

,,Waarom, moe ... op bed sterreve de meeste mensche".

„Nou, je kunt nooit wete". . .

„Ik voel me heel goed... grapte hij, vroeg toen weer: „Zou dokter van der Laan vanavond nog komme ?"

„Misschien morgen ..."

„Jaap zou toch bij hem angaan."

„Ja zeker, maar een busdokter, je weet wel"

„As je bloed spuugt, kunne ze toch wel kijke", zei hij kort, wrevelig.

„Hou je maar bedaard," troostte zijn zijn zorg-gerimpeld moedertje, „je zei

Sluiten