is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek van fotografie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. — Oorsprong der Lichtteekening.

Leg twee stukjes hout kruiselings op een vel onlangst gelooid leder, in de zon. Op eenige oogenblikken tijd zal het leder bruin worden en de plaats waar het hout gelegen heeft, geel blijven. Dat is de werking niet der warmte, maar die

des lichts.

Nu op die eigenschap - het is te zeggen de scheikundige verandering eeniger lichamen door werking des lichts — is de lichtteekening gegrondvestigd.

In de middeleeuwen reeds bemerkt Abrecht de Groote dat zilvernitraat, Fubricius dat eene chloorverbinding met zilver in't licht zwart worden. Veel later onderzoekt Scheele dezelfde eigenschappen en vindt het verschil van werking ondei opzicht van duur, der kleuren. De Franschman Charles en de Engelschman Wegdwood teekenen figuren op doorschijnend papier, leggen het op een ander blad, dat gevoelig geworden is aan het daglicht door eene laag zilvernitraat, en en bekomen zoo een afdruksel dat zij toch niet kunnen vestigen, dit is, bewaren tegen verderen invloed van het licht.

In 1829, Niepce, steendrukker, en Daguerre, schildei, maken elkander hunne opzoekingen bekend, en richten de daguerreotypie op die ze aan de Fransche wetenschappelijke Akademie kenbaar maken en, door deze, aan de gansche geleerde wereld.

De daguerreotypie bestond eerst in proeven op gevoelig zink, later op papier, gevonden door Fox Talbot.

In de eerste helft der vorige eeuw gebruikt Niepce de Saint Victor glas belegd met eiwitstof, in stede van papier, en later, als gevoelige stof, vindt men droge en natte kollodion, eene emulsie van chloorzilvergelatien die gebruikt wordt na volledig opgedroogd te zijn ; broomzilvergelatien