Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat waren jonggetrouwden, 'n smid en z'n vronw van twintig, een-en-twintig. Ze woonden naast ons. En natuurlijk maakte je kennis,omdat iemand, die in stilte te schrijven heeft, allicht de gemoedelijke kennismaking zoekt van den man, die 'm met z'n hamer en aambeeld beletten kan te werken. Hij, jong, krachtig, opgewekt in z'n jeugdig zaakje, — zij 'n frissche, lachende blondine. Er was op die plaats geen dokter, ik had 'n huis-apotheek. Op 'n avond schelde-die aan, vroeg of 'k 'ns even naar z'n vrouw wou komen kijken, dat-ie noü heelemaal geen raad wist, dat ze 't zóó nog nooit had gehad. Buur-vriendelijk meegaand, liep ik 't smederijtje door, kwam in de zindelijke, prettige winkelkamer, waar 't bed stond. Daar zag 'k 't eerst de rampzaligheid van diè ziekte bij 'n jonge vrouw — twéé maanden getrouwd. Daar voelde 'k weer den wrok, den haat tegen ouders, die zülke kinderen laten trouwen, tegen een misdadige wetgeving, die huwelijken tolereert, waarvan de gruwel niet te voorzien is als 'r kinderen komen en 't leed door ons brave auteurs niet te beschrijven als ze kinderloos blijven. Drie-, viermaal na dien avond heb 'k den jongen man geholpen als ze gevallen was en uren onmachtig bleef. Toen 't smidszaakje niet rendeerde, hij met moeite z'n schulden

Sluiten