is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwamen Gijsje en Dirk, twee morsige jongetjes, aangeloopen en keken met angst-opene oogen naar moeder op 't bed. De haan, buiten in den loop achter 't huis, gehitst door 't vreemd menschegeluid, sloeg z'n waarschuw-kakeling door de kierende deur. Nog zeiden we niets. Toen, als 'n furie, opgezwiept door wat ze in 'r koortshersenen zag, smeet ze dekens en lakens weg, wou 't bed uit. 'k Greep r pols. Ze worstelde zich los. Voor de deur geposteerd, duwden we 'r terug. Ze was zinneloos. Op 'r bloote voeten kon ze niet naar buiten — en buiten was ze niet noodig.

„As je kalm hier blijft"..., bazelden we.

„Ik mot me kind — ik mot me meissie — ik mot me Nietje," gierde ze, 'r haar dwaas-wild opknottend.

„Ze komt stokkies," logen we, 'r nog eens terugduwend.

„Jij liegt 't! Jij liegt 't! Jullie hebbe 'r late verzuipe, jullie vuilike!" —, raasde ze.

„Wat helpt 't om je nog meer overstuur te make," hakkelden we in 't deurgat. Als 'n dreigend beest met klauwende handen stond ze voor ons, den mond verwrongen, de oogen groen-lichtend. Het jak om 'r beenigen nek flarde open, 't haar teruggetuimeld uit den slappen wrong, spoot om 'r jukken.