is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat je me door, vuilik!» gilde ze rasperig. "„Nee," spraken we dringend: „strakkies wordt ze hier

gebracht. Toe, wor nou kalm — toe "

Ze luisterde niet meer. Terug-stortend naar de staldeuren aan de voorzij, wrikte ze den boom los, die zwaar-smakkend op de steenen viel. Maar gelijk was 'r felste kracht gebroken. Aanglijdend langs het hout, zakte ze ineen, 't hoofd op de steenen, de armen in toeval verstijfd, de oogen glazerig alsof ze stierf. Het was afschuwelijk. M'n vrouw huilde, de kinderen bierden en schreeuwden, 't loddrig gekreun der vrouw klonk als benauwend gerochel. Rukkend poogde k r op te tillen. Ze was te zwaar, te inert. Hijgend sleurden we 'r onder de oksels naar den bedrand, dringend en rukkend tot ze weer lag. En terwijl ze ronkerig, diep snurkend bleef adem-slurpen, kwam voor een der stalraampjes 't gezicht van Baams, den aardappelboer, Z'n stem steeg als uit 'n kelder, toen-ie riep: b Meneer, daar binne we met 'r!"

Gijs, 't jongske van vier, wees den weg door 't heerehuis. In den stal kon 't lijkje niet gelegd worden. Als de moeder weer bij kwam, zou 't te hartverscheurend zijn. Eerst door 'n paar holle resoneerende