is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door naar de kamer waar 't lijkje op de stoelen rustte. De maan scheen scherper van licht, sneed in zonnelijn het venster op den grond. Als 'n bleek veld met harde, zwarte voren, rekte het zich tot bij het laken, het hoofdgedeelte in levende witheid omrondend, de boterbloempjes en gouden-regen verweeldigend in glans. Even treurde het vertrek in lompig geschaduw. Een wolk-kluit schoof voor de maan. Het witte pakje vernevelde, de stoelpooten krompen heen. Dan, als in grijs geaarzel, bleekten de ruiten weer op den vloer, spitser van hoek, zwarter van sponne-gerek hernam het laken zijn licht. De bloempjes, de stengels, het groen, de blaadjes zwommen in dag-fleur, nauwlijks het linnen bezwarend. Het was een teeder spel van wit en zilverwit en bloem e-geschuim. Het was om lang en zwijgend naar te kijken. De poes schrikte ons op. Die was weer door den deurkier gekomen, 'r Rug schurkend tegen een der stoelpooten, fluweelde ze naar 't licht op den vloer, zat daar in knorrende spinning. Eerst groenden 'r oogen op ons toe, dan tuurde ze mee naar den hoek, naar het vormeloos pakje, het maanwit, de bloemen. En omdat ze geen kwaad dee, lieten we haar zoo tot we zelf heengingen. Ja, dat was een der niet-te-vergetene, altijd bijgebleven impressies — de