is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vindt, zei 't spanne, mot 'rde veldwachter bij weze"...

Voorbij het in maanlicht straf-blikkerend raam, waarachter het kindje lag, keerden we huiswaarts.

's Morgens vroeg, na 'n korten nacht — 't was 'n eindlooze, zwaar-striemende regen geweest die de nachtr stilte doorruchtte — kwam Kris de trap opstrompelen

met 'n emmer water.

„Je hoeft vandaag voor öns niks te doen," zeiden we:

„je zussie is dood".

Hij antwoordde niet, keek stompzinnig naar het

plankje dat in den emmer dobberde.

„Heb je me niet verstaan?", zei 'k nijdig, 't Gemeene, gluuprig gezicht van den jongen met z n groote kaken, 't lage, beenige voorhoofd en de barstige haarstoppels, dee je altijd onaangenamer spreken, scherper van toon zijn dan in je bedoelen lag.

„D'r mot toch water weze," zei hij den emmer onbenullig bungelend.

„Vandaag niet! Je moest je schamen om je moeder alleen te laten. Je moeder is ziek — je zussie is dóód!", schreeuwden we bijna om't'm an z'n verstand te brengen.

„As me vilder dan thuis is," antwoordde hij, de blanker oogleden neer op 't sproetenvel.