is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

katholieken, katholieken in merg en been — 'n goed katholiek had alleen naar de stem van z'n geweten te luistren. „'t Stelsel van Malthus, meneer,* betoogde hij stevig, als je naast m in t warme zand zat. „'t stelsel van Malthus is 'n vlóék, 'n schande. Wat God wil, wil Gód!" Bouten, de man van de mantel-en-gros-zaak, was met z'n vijf kindren en vrouw voor 'n maand naar zee gekomen, omdat de drie oudste kinkhoest hadden. Eerst waren ze in 't hotel getrokken, maar omdat de andre gasten klaagden over 't honde-blafferig gehoest en de hotelier lang niet malsch te keer ging, had-ie kamers bij 'n boer gehuurd, waarvan 't jongste meisje nou ook kinkhoest had. „Daar kan ik niks tegen doen," verweerde zich Bouten: „mijn kindren hebben 't óók van andermans kindren gekregen. Op zoo'n manier zou je je heele familie motten opsluiten, 't Is te gek om over te praten!

Doezlig-gehurkt zat je bij de menschen an 't tafeltje, liet de klontjes suiker in de koffie drenken. De kinderen, wel twintig, dertig, omdrongen Maartens, die

lucht in de buksen pompte.

Verschrikt, bij 'r jongen, niet van 't nest durvend, keek 'n zwaluw toe, hoog op de loods. En de kippen, op 'n hoop in den ren, meden stof-wroetend de herrie.

6