is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wrokt en de gewone nuchterheidsgebaren niet weet te breken — 't dof-wanhopige van 'n man die zonder gesnik, zonder hand-beving — enkel met droog-gloeiende oogen — gereedschap hanteerde, die 'n doods-kisteplankje langs z'n knie hield en zaégde, die met de schaaf de stugge krullen ver-smeet en 't stuifsel met builende koonen heenblies — je nam 't waar als 'n bruut die veel boeken gelezen, veel tooneelstukken gezien, weinig van 't échte leven begrepen.

„Ben je nog niet uit je kleeren geweest?" —, vroeg je met den deelnemenden toon van iemand die z'n smart anders, béter zou uiten.

„Nee," zei-ie bot.

Opstaand begon-ie op 't kozijn, meer in 't licht van het zomersche raam, ouwe roestige spijkers recht te slaan. Nieuwe scheen-ie niet te hebben.

„'k Zou me niet zoo h&asten, Plas," brabbelden we: „'r wordt toch niet eerder dan overmorgen begraven? — wïj zullen wel zorgen" . . .

„Nee," viel-ie in de rede, nauwlijks luistrend, „'t mot nou — d'r mot nog zóóveel gebeure" . . .

„Wat dan?" — vroegen we: „je kun rüstig wachten. Zoo vlak bij 'n dooie moet je niet kloppen."

We zeien het in den voortreflijken gevoeligheidstoon.

7