Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoed, die jaren in de vochtige kast had gelegen, door z'n vrouw laten strijken — nu met 'n witte das, zwarte glacees èn diep uit de mouwen hangende manchetten, sloeg-ie ons allemaal. Toen-ie me zag boog-ie in deftigheid en hervatte den loop zijner wijsgeerige gedachten, waartoe ik me dan ook zette, omdat je 'r niet aan ontkomt in de suggestieve buurschap van zooveel wenkbrauwe-koppeling en lippe-stremming. Wel kostte dat moeite. Eéns heb 'k, als persman, bij 'n graf gestaan, waar redevoeringen werden gehouden en elk van de tien sprekers in zenuw-bleekheid wiebelde om wat ünders te zeggen, zonder de inleiding dat 't gras voor de voeten was weggemaaid. En bij den achtsten spreker die een bonte metafoor bouwde van... 'n ster aan den kunsthemel. .. die aan 't firmament . .. baan bewegen . . . enz. ... en hakkelend bleef steken in 't dooie slopje van het tè schoone, pieplachte 'k onbetaamlijk en kneep 'k me zelf 'n blauwe plek in m'n arm om het decorum te herwinnen.. . Eens in 'n volgkoets heb 'k met drie andre schelmen onbedaarlijk gelachen om 'n kraai naast 't portierglas, die telkens opnieuw 'n glinstring aan de punt van z'n neus kreeg. Ik verdedig me niet. Het was onzerzijds onbehoorlijk. Maar 't over-het-plechtige-heen,

Sluiten