is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'r Oogen gloeiden in (le kassen, 'r adem snoof gejaagd.

Ik was naast Baams gaan zitten, luisterde naar de vermanende stem en haar zwijgen. Plas snikte. Wakker geschud door den krans, scheen-ie de woorden van den dominee als een heerlijke troost tot zich te nemen. I)e troostende stem luider en dringender van klank, 'n stem gewend om verstaan te worden, 'n stem die geen fluistertonen bezat, slurpte het laatste leven uit de kamer. Baams en de kok en de president, zélfs de liberale hoofdonder wijzer- naar-den-rooien-kant, zaten in luistrende onthutsing. Soms knikte de president met ontelbare snelle knikjes. Ik, slecht, verdorven wezen, die troost als 'n teer, vrindlij k lief deding opvat en me altijd verbeeldde dat je alleen getroost kan worden door 'n vrouw of 'n man van wie je véél houdt of door de stilte in de natuur, of door 'n lieven levensmoed in je zeiven, ik opperst-geloovige öngeloovige die in zulk een geval door luid-resoneerende woorden op de vlucht zou slaan — heeft 'n bij (om 't lief te zeggen) nog gonzend gerucht als ze 'n bloem bestrijkt? — hield, inderdaad van streek den hoogen hoed in de eene en de reepjes krantepapier in de andre hand. 'k Denk dat die dominee, als-ie gewèten had, datie sprak tot 'n bijna krankzinnige mooglijk even 'r

9