is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vliet, mevrouw De Waard en de duitsche officier. De mannen namen de hoeden af tot we bij de boerderij waren. Daar, in 't zonnetje, de beenen gewikkeld in 'n flarden-deken, zat de zieke boerenjongen, 't geelbol gelaat met de glazige oogen nauwlijks te zien door de zwachtels langs de ooren. De moeder, opgestaan met 'n aardappelmesje in 'r hand, drong 'r rimpligverweerden kop met 't wrokkend knaagdiergebit over de schutting, knikte de kennissen toe. Toen ging ze weer naast den jongen zitten.

We stapten voort, links zwenkend, 't zandpad over. 'n Egel, verrast door den stoet, lei als 'n naaldige buil op den weg en ieder ontweek 't z waarademend dier. In de heggen vluchtten de kippen en 'n kloek riep 'r kiekens. Voorop liep de dominee met Plas. Plas ging gebogen, enkel den grond ziend; de dominee stapte recht-op, de handen op den rug. Dan kwamen de neef en de schoolmeester, dan de president en ik, dan Baams en de kok. In z'n eentje liep Ari, die zich geen houding wist te geven.

De zon blakerde onze ruggen — het stof uit den weg, opgetrapt door de dragers, omwolkte den stoet.

Rustig van slag, in de duinwanden 'n echo grom-