Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Z'n hand terugtrekkend begon-ie zenuw-snikkend te huilen, zóo te huilen, dat we 'r angstig bij werden. Dan ineens stond-ie op, liep naar de zij van't strand.

'n Zwarte gestalte tegen 'n woelende, lichtende zee, is de laatste herinring. Gezien hebben we 'm niet meer. Den anderen morgen met de eerste tram was-ie weg en 'n paar weken later gingen ook wij terug naar de stad, waar we 't werk hervatten en in de drukte der dagen 't klein gebeuren begroeven.

Nu staat 't in schemer-belichting, stil en verwijtend.

"Wat moet 'n waarlijke, diepe schuld onduldbaar zijn, als 'n aarzling, 'n onzeker gebaar na jaren 't hoofd in de handen doet mijmren . ..

SCHEVENINGEN, 1904.

Sluiten