is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lucht was van gouden koppen, schuimend op indigoblauw, toen juffrouw Klos aan de deur kwam. Meer naar het huis van Abel den bakker vloeiden rosse vlammen, aan de lichtere einden verstoven. Een enkle kuif met Aardige lood-gore kanten, geleek op den schoorsteen der woning te rusten.

„Waar blijft ze nou? Waar blijft ze nou toch?" —, hardop praatte de vrouw, de magere polsen bewriemend.

Het licht van den stervenden dag bleekte sterker 't wit van 'r hoofd, waarom 't slordig harengepluk. De oogen verwijd en onrustig keken zoekend de straat af.

Het was Zaterdag van kermis. Op het pleintje, bij de herberg van Hasselaar, brandden de lampen in de galanterie-kraam. De hoofden der dringende boeren boorden in 't gele hoekige vak, waarin geglans