Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hartig omdat 't hüllie moeder niet was — begonnen saam te loopen en te tieren dat 't 'n schande en godgeklaagd was van zoo'n oud mensch met waterbeenen. Toen zee Engel op z'n eigen houtje — later kreeg-ie wéér met de kruik —: breng 'r maar in de loods. In de loods was 'n afgeschoten hokje, waar 's winters 't varken werd vetgemest, 'n hokje dat met weinig moeite 'n kamertje werd. Engel werkte er den heelen dag en een stuk van den avond aan. Het werd een kamertje van ruwe planken, met delen gedekt. Twee wanden werden op natuurlijke wijze gevormd door de geteerde zijden der loods, de andere waren handig geprutst van kistenhout. Het stroobed werd gesteund door een varkenskrib en een schraag, de deur was het deksel van een kist, bewoog zonder scharnieren, werd gesloten door een touwtje, gedraaid om een kromgebogen spijker. Den anderen dag beplakte Engel de wanden met krantepapier voor de tocht, bracht nog een tafel en een stoel en vroeg of 't zoo goed was. Kniertje, rustig te bed, knikte tevreden. Ze haatte met woede van wraakzuchtig oud vrouwtje 'r dochter Truus, die 'r bij de laatste ruzie geslagen had — ze haatte nog sterker d'r schoondochter Sien, die ze altijd gehaat had, omdat ze 'n feeks was en Engel an den drank had

Sluiten