Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zülke gaten hadden ze uit verveling en moedwil in de

planken geboord.

Truus sprak nooit van moeder. Ze kwam niet op straat. Dagen aaneen zat ze in 't winkeltje, suf, 't gelaat met de knollige jukken over de breikous gebogen. Engel ging soms in de loods voor de varkens en Sien bevloekte het eten, de aardappels, de schraapsels die ze zond als ze wou. Eens bracht ze het eten zelf, toen èrg goed van humeur, maar halfwege had ze er spijt van, smeet de helft voor de biggen, die er vetter van werden, niet zulke opvreters waren. Januari, den derden, was groomoe jarig — vier en tachtig, kwamen Jannie en Suze en Engel met Klaasje feliciteeren. Sien verdomde 't. Die had beters te doen. Het was 'n snerpend-kouwe dag, veel hardgebakken sneeuw op de wegen en 'n wind die adem te ijs zette. Suus bracht 'n pakje zoetigheid mee. De kachel was uit.

't Leek of de ouwe hout vr&t — had Sien gezeid en ook den vorigen dag had ze het eten vergeten. Bij het zien der grootmoeder in 't varkenshok, waar je de heele loods door de naden van t hout overkeek, had Suus voor 't eerst meelij gevoeld, toen de ouwe met beevrige handen de toet zoetigheid openscheurde,

Sluiten