is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

éen dag had ze 't willen doen, 'n kliekje gebakken aardapplen meegenomen — bij de deur van de loods, nog niet eens binnen, had ze zich lichtschuwlachend omgekeerd, bang voor moeke, bang voor de kleine blauwe oogen, bjtng voor den mond van dunne bloedlooze lippen, die spraken met de varkens en God. Het was 't ótide geworden. Sien zond afval of vergat het te zenden en 'n enkle maal bij toeval ging Jannie nog wel 'ns kijken. De varkens bleven tot Februari. De andre boeren hadden in Januari geslacht. Engel was er laat mee. Een deed hij over aan Abel, den bakker, en het ander slachtte hij op een regenachtigen dag. Tante Knier zat dien middag bij de rookende kachel, hoorde den slag op den kop van 't beest, toen de val op den grond, toen het rogglend gekluk van 't bloed, 't laatste gegil van het dier — beevrig opstromplend had ze geluisterd aan den wand naar het siepen van het logge bloed in de puts, asof ergens 'n dakgoot overliep. Door de open gaten van 't beschot kon ze in 't leege hok van de varkens, waarin rul en dofgeel het stroo in sprieten opstak, kijken, 's Middags bracht Klaasje het eten, keek ze angstig naar de deur, zag ze door de opening de helft van het uitdruipend dier met de donze vetbulten, de regelmaat