is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze huilde weer, zieklijk-verteederd, geheel vergeten wat 'r gebeurd was. 'r Geweten was 'n onvast dingske, kamermuf zieltje van ver-imbecield garen-en-bandvrouwtje, dat alleen wist van léven zooals 't zich in dorp en dorpsstraat toonde, leven van dorpsleuterij, waarin uitsluitend dórpsschokkingen waren, dood een schaduw van ver-affe beteeknis, waarmee alleen dóóden te maken hadden, 't dorp niet, de dorpsstraat niet, 't hekje om de kerk niet, de veldwachter niet. Dood Aagje was haar een zuigling die büiten 't dorp niet bestond, wier herinring éen was met de vakjes lappen, rollen lint, keper — binnen — de rust van 't grijze dorpsstraatje — buiten. Als ze dacht an dood Aagje, zag ze geen kind met liefwèrklijke trekken, maar vage witte windslen — en wel eens een vuilen luier en een billetje met vetplooien en het gelijk vloer sch kamertje naast den winkel waar de kist stond — en de weegschaal — en de spaak met hoeden en mutsen — en de glazen kastjes met chocolade en de stopflesschen met suikerboonen — en den pot met gemarioneerden haring — en het straatje met ongelijke keien en den gelen gevel der overzij — en de herberg van Hasselaar op het pleintje met 'r groen onderdeurtje — en den handwagen van Horrel, die