Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekettingd aan een paal stond — dat alles en véél meer — blauwe lucht 'r bij en meerdre gevels en smullen en heraden in 't winkeltje en fleschjes eaude-cologne en de bus met kaakjes achter glas alles dat, alles dooreen in fletse vervloeiing, niet afzonderlijk, geen beelden in strakke scherpte, niet opmerklijk, sterk of gekant, maar als duffige dingenwarreling, wit en vaalwit en grijs en groezel-zwart en ook wel verlept, niet aandringend rood. Haar moeilijk tobben over 't doode kind was 'n suffen over iets dat uit het dorp weg was, haar verdriet een troeble, dompe, benauwende dingen-mist, waarin 'n kinderbuikje, geel-vleezig — kinderbeentjes, geel-vleezig — en 'n luur verlept-groenig — en 'n spoelkom en soms helderder 'n blikdoosje met spelden en 'n paar gespreide knieën en in de deuk van haar schoot 't heele lijfje, met trekkende beentjes en verzuurde melk loopend uit 'n mondje, glijdend langs 'n nat nekje en kindervingertjes wriemelend, wrie-me-lend, wrieme-lend — en altijd weèr de zwoele aanmisting van 't winkeltje — 'n kinderbeentje en 'n stopflesch met rood-bruine boonen en de glim van de weegschaal en 't soezig geknikkel der struiken over de schutting van Horrel en de handwagen van Horrel, die met 'n

Sluiten