Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed, scheepjes, tasschen, springtouwen, lampions.

Over dit gewar van verwaarloosd, oudbakken goed, benauwd opgestuwd en verstopt in 't lage, langwerpig winkeltje, dat vroeger 'n kamer met bedstee geweest was, loomde 't lampegeschemer, sterkst van roodgelen schijn op de bladen der weegschaal en de gespannen blaas van den haringpot. Achter de toonbank en in de vakken bleef schaduw, dreven geheimzinnige spelingen van zwart.

Nu de buitendeur was gesloten, tetterde zwakker de muziek van oom Engel en het dopje, boven de lamp, knerpte rustig aan de ombogen haarspeld. Juffrouw Klos, bruingeel bij 't licht, 't voorhoofd met bultige schaduw, was suffig achter de toonbank gaan zitten. Jannie keek door de ruit van de voordeur. Soms hoste 'n scheut boeren voorbij, plomp betrappend den weg, rauw-strotterig brullend.

„Daar is Suus," zei Jannie op eens, blij de deur openmakend, met zoo'n ruk van pleizier dat de bel aan de ijzeren veer rekkend bleef schellen. Suus warm en verhit, met 'n kleur van opwinding, kwam even kijken. Ze had 'n half uur gezeten in den bakschommel, achter de herberg van Hasselaar, télkens weer centen

Sluiten