Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betalend om mee te schommlen met de zweetende klit jongens en meiden — de meiden gillend en schreeuwend, de jongens met plat-gepruimde sigaren, dronken en dierlijk. Den heelen avond was het daar 'n kwijlend gezoen, 'n loddrig gegil. Als de schommel hoogerop wipte, krijschte de klit, vlogen de vonken van de sigaren, vielen petten omlaag. Suus verwaaid, met 'n scheur in 'r blous en 't voorhoofd gebrand door 'n sigaar, was nog buiten adem. Rood en met vochtige oogen, raasde ze de schemering van 't winkeltje binnen, puffend, vertellend.... „Die jongen van Brand is me gevallen, gevallen! — godzegenme wat dee-die 'n

smak! Hè! Z'n neus an bloed en z'n oog kapot!

Die stommeling!.... Was me gaan staan op de rand en toe trapte-die-mis!.... Je docht dat-ie dood was — zoo as-die bleef leggen!.... God wat bin 'k bezweet!..."

Half ging ze zitten op de toonbank, het bruin haar glanzend in 't licht, de oogen schitterend zwart. Ze had het gezicht van haar moeder, voller en frisscher en op 't voorhoofd hoogwallend, was 't franje-geslier van 'r

haar in ponney geknipt

,Is 'tvol bij de weg?" — , vroeg juffrouw Klos.

„Nou hoor! D'r is 'n volk gekommen van buiten,

nou!.... Oom Engel heit wel twintig sjeezen en

Sluiten