is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat ken 'k wel doen," meende rillerig-pratend de meid en ze schuifde naar voren, meerder belichtend de kist, die harder van bruin werd. In het opene vak kwam 't hoofd, traag in den schemer, wassen gelaat met zachte striemsels van zwart achter sneden en rimpels. Het was 'n hoofdje van vredig oudvrouwtje met muts om de slapen, slapen heel-vierkant en jukken zeer zacht. De kin spichtig wipte vooruit als in tandloos geknabbel en zwart schulpten de gaten van neus, zwaklijk gebogen. Het was 'n klein, kalm gelaat, als in breeding van leunstoel, vaag nog beschenen door geelsel van lamp. 't Wit van 't doodshemd schoof op naar den hals — vredig van kwijning keken de lichtblauwe oogen naar de balken van geel aan de zoldring. De vlam van het pitje bibberde zacht, schaduw-treksels verspreidend over den mond, rimplig verknepen. Zulk een bélevend bewegen gaf dat aan 't vleesch, dat de meid aarzlend terug trad en vroeg:

„Is ze goed dood ... Ze lijkt wel te leven" ...

„Nou d&'s 'n vraag," schrikte de juffrouw: „de dokter is gister geweest voor 't bewijs ... God, hoe kom je d'r op ... Nou, hei-je 't gezien? ... Dan schuif 'k de deksel weer óp ... *